Brandweer Garderen
Geschiedenis
Een terugblik op meer dan 75 jaar inzet, reddingen en bijzondere momenten van de Garderense brandweer
Onze geschiedenis
De oprichting van deBrandweer Garderen
Het Garderense brandweerkorps werd officieel opgericht op 6 mei 1943 in café “Dennenlust”, het huidige café “De Bourgondiër”. Burgemeester Westrik leidde de vergadering en benadrukte dat Garderen eindelijk een eigen korps nodig had, omdat dorpen als Barneveld, Voorthuizen en Kootwijkerbroek al eerder waren georganiseerd. Misschien waren ook de verwoestende heidebranden van 1942 in “De Wildekamp” aanleiding; de tweede brand had het huis van de heer Keyser verwoest, en zijn klacht bij het gemeentebestuur liet zien dat Garderen beter beschermd moest worden.
Westrik zei dat er mannen nodig waren die konden worden vertrouwd, ook bij de Duitsers, en dat de bosbrandweer altijd bereid zou zijn te helpen. Zeventien mannen meldden zich direct: Hendrik van de Kolk, Gijs Leijenhorst, Jan Bakker, Hendrikus Bokhorst, Gerrit van Middendorp, Rijk Jetten, Gerrit Schuiteman Gzn., Aart van den Hoorn, Johannes Gerritsen, Gerard van de Mast, Jan van Lagen, Eef van Middendorp, Jan Pul, Beert Versteeg, Gerrit Hardeman, Willem van Millegen en Gerrit Vedder. Van de Kolk werd opperbrandmeester, Leijenhorst adjunct, Bakker en Bokhorst bestuursleden, en Gerrit van Middendorp werd gekozen door de aanwezigen.
De leden kregen petten als herkenningsteken, maar echte blusmiddelen volgden pas later. Op 18 mei werd al de eerste oefening gehouden, en op 27 september vond de eerste uitruk plaats naar de brandende schuur van C.J. van der Bijl op “De Wilde Kamp”.
Opgericht sinds
1943
Al voor de oprichting…
Al vóór 1943 was er in Garderen sprake van brandbestrijding. Een handbrandspuit stond ooit onder de toren, en in 1939 waarschuwde schoolhoofd J.A. van de Bovenkamp dat branden vaak niet te stoppen zouden zijn door gebrek aan water en middelen. In 1940 werd een motorsproeiwagen, liefkozend “Jumbo” genoemd, gestationeerd. Deze Dion Bouton met massieve banden kon duizend liter water bevatten, maar had vaak motorproblemen en werd soms met een paard gestart. De brandput op de Brink en 445 meter slang boden enige bluscapaciteit, maar de slangen moesten regelmatig worden gerepareerd met ‘verbandjes’. De vrijwilligers waren goed verzekerd, maar hadden weinig uitrusting, en toch stonden ze altijd paraat.
De Veluwsche Boschbrandweer, opgericht in 1929 na grote bosbranden bij Kootwijk, bood een voorbeeld. In Garderen hielpen burgers bij branden zoals in Oud Milligen, waar kinderen en een koe werden gered, maar een paard omkwam. De brandweer was een gemeenschapstaak en elk reddingsmoment werd gekoesterd.
Na de oorlog bleek “Jumbo” onbruikbaar bij een vreugdevuur in 1946. De rit van chauffeur Rijk Jetten eindigde te dicht bij de brandstapel en de motor moest worden afgeblust. Gelukkig was een slechte brandweerwagen beter dan geen, maar een nieuwe wagen was dringend nodig. In 1947 arriveerde een verbouwde Ford-dumpwagen, en daarmee verbeterde de inzet van het korps aanzienlijk. Het korps bleef oefenen, en leden zoals Hendrikus Bokhorst en Gerrit Schuiteman werden commandant en adjunct.
De jaren ’50: professionalisering en eerste reddingen
In de jaren vijftig werd het korps professioneler. Er kwamen leren jassen, rubberen laarzen en een manschappenwagen in een echte garage in 1955. De sirene op het dak van ondercommandant Schuiteman verving de hoorn en het luiden van klokken, en het korps nam voor het eerst deel aan wedstrijden en excursies. Reddingen waren vaak indrukwekkend: bij de brand in de bakkerij van Hein Schuiteman in 1951 gingen woonhuis en bakkerij verloren, maar de bewoners werden gered en de nabijgelegen boerderij bleef gespaard dankzij een vochtig rieten dak. Ook in 1959 hielp het korps bij een bosbrand aan de Speulderbosweg om een huis te redden, waarbij vijftien brandweerlieden tweeëneenhalf uur “in de gloeiende hitte” werkten.
Toch ging niet alles volgens plan. De Garderense brandweer nam soms te veel eigen initiatief, zoals bij een oefening in 1949 bij het Uddelermeer, waarbij een betonnen pad en fundering beschadigd raakten. Hogerhand legde hierop streng toezicht. De samenwerking met andere korpsen verliep soms moeizaam, zoals bij heidebranden waarbij de Apeldoornse brandweer vaak te laat arriveerde.
De jaren ’60: nieuwe voertuigen en grote uitdagingen”
In de jaren zestig kwamen nieuwe voertuigen, een volgwagen en centrale verwarming in de garage. De brandweer rukte uit bij veldschuren, hooibergen en heidebranden. In 1963 werd een brand in een hooiberg van Teus Bouwman geblust en bij een grote heidebrand bij Stroe en Kootwijk verloren bijna honderd hectare natuur, terwijl de Garderense tankwagen van Kootwijkerbroek moest worden teruggehaald omdat deze omsingeld werd door vlammen. Ook werd bij het blussen een niet-ontplofte vliegtuigbom gevonden. Ondanks de uitdagingen professionaliseerde het korps zich verder en werden mobilofoons, sirenes en een nieuwe DAF-tankwagen in 1968 in gebruik genomen, waarmee het 25-jarig bestaan feestelijk werd gevierd met een demonstratie achter de molen.
Door de decennia heen waren het niet alleen de grote branden die het Garderense korps definieerden, maar ook de vele kleine reddingen, de improvisaties bij gebrekkig materiaal, en de humoristische of verrassende momenten tijdens oefeningen en reisjes. Het rijden met een wagen zonder achteras, het blussen van brandjes in de vroege ochtenduren, en het luiden van de sirene op het dak van Schuiteman horen allemaal bij de rijke geschiedenis.
Traditie, moed en kameraadschap door de jaren heen
Door de decennia heen waren het niet alleen de grote branden die het Garderense korps definieerden, maar ook de vele kleine reddingen, de improvisaties bij gebrekkig materiaal, en de humoristische of verrassende momenten tijdens oefeningen en reisjes. Het rijden met een wagen zonder achteras, het blussen van brandjes in de vroege ochtenduren, en het luiden van de sirene op het dak van Schuiteman horen allemaal bij de rijke geschiedenis.
Archief


